in Featured

Tales From The Pipe: Dreigende Polen

Amsterdammers in de Diamantbuurt kijken tegenwoordig eerst wie er aanbelt, voor ze open doen. Want het kan zomaar zijn dat je een stel Polen binnenlaat die je beroven. Zoals de alleenstaande oudere Aart overkwam.


We noemen hem maar even Aart. Nergens voor nodig om zijn echte naam te noemen. Aart is een oudere heer die al jáááren gelukkig in een driekamerwoning op de tweede verdiepeing in de Diamantstraat woont. Nou ja, gelukkig: hij woont er al jaren alleen, weet niet beter en kan zijn geluk niet op dat het zomer is. Want dan komt hij nog eens buiten, en kan hij gezellig bijkletsen met anderen van zijn leeftijd.

Maar onlangs was Aart even minder gelukkig. Wat was er gebeurd?

Zoals altijd zat Aart op een doordeweekse dag wat naar buiten te staren. De kat had gegeten en lag op een stoel te spinnen, de televisie had niks te melden, en internet, daar doet Aart niet aan.

Als ik ’s ochtends mijn eigen huis verlaat en ik zie Aart uit het raam staren, zwaai ik even. En dan zwaait Aart met een grijns terug. Heeft hij weer een seconde lang iets te doen.

Maar verder verveelt Aart zich kapot. Dus toen er aangebeld werd en er een afleidend gesprekje op de loer lag, dacht Aart geen twee keer na en deed hij de voordeur beneden open met de knop naast zijn binnendeur.

Even later stonden twee Poolse mannen voor de binnendeur. Keurig gekleed. Jasje dasje, beleefde scheiding in het haar. Met een glimlach op zijn brede lippen opende Aart de deur.

Tien minuten later zat hij bevend op de enige bank in zijn woonkamer. De kat zat nog blazend onder tafel, de televisie toonde een luid geruis, de binnendeur viel langzaam in het slot. Beneden klapten de twee Polen de voordeur hard achter zich dicht, en maakten zich uit de voeten.

Enkele uren later zat de wijkagent, vergezeld door twee collega’s van het dichtstbij gelegen bureau, aantekeningen te maken aan Aart’s eettafel.

Op het moment dat Aart de deur opendeed, duwde de voorste Pool die open en kwam dreigend op Aart af, die terugdeinsde. Aart, inmiddels in de zeventig en met de nodige tatoeages uit de haven, was vroeger voor geen kleintje vervaard. Maar de twee brede Polen leken hem erg bereid om geweld te gebruiken, en Aart’s spieren zijn niet meer wat ze ooit waren.

Op een rustige doch dreigende toon vroegen ze hem naar geld, of juwelen, of andere kostbare zaken. En snel.

Totaal overdonderd en bang stamelde Aart maar wat, terwijl zijn oude hart meer adrenaline door zijn lijf joeg dan hij in zeker dertig jaar tijd had meegemaakt. Twee vreemde mannen die dreigend over hem heen stonden in zijn eigen woning, het duizelde hem, liet hij de wijkagent weten.

Toen één van de twee Polen zijn vuist balde en onder het trekken van een gemeen gezicht bij het linkeroog van Aart hield, brak hij. “Daar, daar!”, jammerde hij, in de richting van zijn slaapkamer wijzend. Over zijn woorden struikelend vertelde hij de mannen over een doosje, onder zijn bed, waar hij het geld in stopte dat hij op zijn uitgaven en na aftrek van zijn pensioen kon besparen.

Drieduizend euro, niet meer en niet minder. Dat is wat Aart sinds zijn vroege pensionering bij elkaar had gespaard. Dat vonden de Polen in kleine coupures in het doosje. Ze staken het in hun zak, liepen terug naar de woonkamer, keken om zich heen, en vroegen Aart of hij een credit card had.

Dat had Aart niet. Wel een pinkaart. De twee Polen gromden wat, keken elkaar even aan, en splitsten zich op. De één bleef bij de binnendeur staan, en de andere stapte resoluut op de trillende Aart af. “Jai geen polisie, geen polisie” dreigde hij, over Aart heen gebogen. “Nee, nee, nee!”, beloofde Aart. Wat moet je anders in zo’n situatie?

Aart is nu drieduizend euro lichter. Het was al het spaargeld dat hij had, en dat hij nergens terug kan eisen.

Ik zag hem vanochtend weer zitten, achter zijn raam. De kat spinde ongetwijfeld, de televisie had hem niks te melden, en een computer voor internet, daar heeft hij nu niet eens het geld meer voor, mocht hij zo’n ding al willen.

Ik zwaaide. Maar hoewel hij me recht aanstaarde, denk ik niet dat hij me zag.