Tales from the Pipe: hoe jongerenwerk écht kan helpen

Dit is het verhaal over Ali, een dappere Turkse jongen die zich wist te ontrekken aan een uiterst curieus en gewelddadig nieuw fenomeen in Nederlandse probleemwijken: een nieuw soort ‘peer pressure’ die iedereen naar beneden trekt. “Jij bent een van ons, en zal een van ons blijven!”

Ik woon in de Diamantbuurt, die buurt in Amsterdam die altijd in het nieuws komt als een als een bontkraagje in Rotterdam een buschauffeur afrost. Waarom? Gewoon, omdat hier wel eens wat gebeurt, meestal veroorzaakt door luie, kansloze, gefrustreerde mocro’s en hun kleine broertjes.

Dat is één keer uit de hand gelopen waardoor een gezin weggepest werd — er zat véél meer achter dat verhaal, echt waar — en sindsdien rijden de camerateams van EenVandaag, Netwerk, Hart van Nederland en weet ik veel na het plaats delict nog even door naar de Diamantbuurt. Een paar shotjes voor achtergrond en diepgang. Staan ze meestal te filmen in een lege straat waar zo af en toe een bejaarde achter een rollator oversteekt. Daarvan wonen er hier immers meer dan er hangende bontkraagjes zijn.

Erger kan het zijn in Zuideramstel, aan de overkant van de Jozef Israëlskade waar ik vlakbij woon. Daar gebeurde in het kader van ‘de multiculturele samenleving’ enkele maanden geleden iets wat mij echt deed verstommen.

Het draait om een Turkse jongen die opgroeide in een rumoerige wijk in Zuideramstel. We noemen hem Ali voor het gemak. Ali had een droom. Hij kon goed tekenen, had hij ontdekt, en hij wilde graag architectuur gaan studeren, een HBO-opleiding. Hij was goed op weg, zat op de HAVO, waar hij opviel door zijn tekenkunsten.

Dat alleen al was zijn Marokkaanse vriendjes uit zijn straat een doorn in het oog. Die bontkraagjes deden immers allemaal VMBO, daar hadden ze bewust voor gekozen want de Nederlandse samenleving is toch kut, en het mocht niet zo zijn dat een van hen zomaar als een kikker uit de kruiwagen zou springen.

En dus kreeg Ali van zijn vriendjes een waarschuwing. Hij moest zijn architectendroom aan de wilgen hangen. Anders zouden ze hém aan een wilg hangen.

Let wel, dit waren Ali’s ‘vrienden’. Jongetjes met wie hij vroeger voetbalde op het plein om de hoek. Met wie hij, daarvoor, in de zandbak tussen de hondendrollen en de kattenstront speelde.

Ali wist niet goed hoe hij moest omgaan met het dreigement. ’s Avonds zat hij droevig en bang aan de bar in het lokale jeugdhonk, waar jongeren door de gemeente ingebonjourd worden om maar van de straat af te zijn. Dan hebben de kiezers er geen last van. Maar in dat jeugdhonk zat hij omdat zijn ‘vrienden’ dat eisten. Het was immers hun jeugdhonk, waar ze aan de deur hun messen en andere wapens inleveren.

Ali deed iets moedigs. Tijdens één van die avonden benaderde hij een jongerenwerker, die slim genoeg was om te weten dat hij niet te openlijk in gesprek moest gaan met Ali waar zijn ‘vrienden’ bij waren. Dus spraken ze op een later moment af. Ali vertelde de jongerenwerker wat hem overkomen was.

De jongerenwerker spoorde Ali aan om toch vooral zijn droom na te jagen. De HAVO afmaken en dan gaan voor die HBO-opleiding. Ali stemde, na lang aandringen, toe. Dat lekte al snel uit, en het beviel Ali’s ‘vrienden’ allerminst.

Op een dag, niet lang na het gesprek met de jongerenwerker, kwam Ali voorover gebogen het jongerencentrum binnen strompelen. Zijn ‘vrienden’ hadden hem te pakken genomen. Ze hadden hem “gestraft” omdat hij hun waarschuwing in de wind geslagen had. Enkele van zijn ‘vrienden’ hielden hem vast, terwijl een ander bontkraagje stoer een mes in zijn buik ramde. “Jij bent een van ons, en zal een van ons blijven!”, riep iemand.

Ze lieten hem vallen en gaven hem een paar schoppen na. Hij wist op te staan, maar in plaats van naar het ziekenhuis te gaan of de politie te bellen, ging hij naar het jongerencentrum. Daar was toevallig dezelfde jongerenwerker, die hem zonder dralen een auto inwerkte en naar het ziekenhuis bracht, waar de wonde werd behandeld.

“Dit is een steekwond, wij zijn verplicht daar melding van te doen”, zei de behandelend arts in de Eerste Hulp. Maar Ali wilde dat niet, weigerde ook aangifte te doen. Gevraagd naar het waarom, was Ali’s antwoord: “Mijn vader en de vader van de jongen die mij stak, gaan altijd samen naar de moskee. Het zou een schande zijn.” Ali wist de jongerenwerker om te praten, gek van angst dat als er aangifte werd gedaan of als er een melding van kwam, de raderen van politie en justitie in werking zouden treden. Dan zou er zeker ook een keer wraak op hem worden genomen.

Die avond zat Ali stilletjes en bijna stikkend van de pijn met een drukverband aan de dis bij zijn ouders, die hij niets durfde te vertellen. Ali had ook nog broertjes die in de wijk moesten kunnen leven.

De jongerenwerker wist niet goed wat hij moest doen, maar ging uiteindelijk achter Ali’s rug om en schakelde meer gespecialiseerde straatwerkers in. Die kwamen onmiddellijk in actie, en benaderden Ali. Hij werd zo goed als afgesloten van zijn ‘vrienden’, kreeg directe begeleiding. Zijn familie ook.

Het laatste nieuws, dat ik vandaag hoorde, is dat Ali is aangenomen op een kunstacademie. Hij woont nog steeds in dezelfde wijk, waar zijn ‘vriendjes’ lui en verveeld als uitkijk fungeren voor dealers.

“Ik laat me niet meer intimideren door een paar van die opgeschoten kut-Marokkaantjes”, zou Ali onlangs gezegd hebben.

Ik ben heel blij voor Ali, en hoop met heel mijn hart dat hij zijn dromen waarmaakt, zoals ik dat voor vrijwel iedereen hoop.

Behalve voor die ‘vriendjes’. Maar ja – dat denken of zelfs zeggen, dat is nou juist óók weer deel van het probleem.

Eén gedachte over “Tales from the Pipe: hoe jongerenwerk écht kan helpen”

Reacties zijn gesloten.