Toch niet zo’n gaaf land

Als politici iets vrezen, dan is het wel het beeld dat zij naakte keizers zijn. Daarom is omnipotentie de kern van alle politieke communicatie: het beeld dat politici problemen kunnen oplossen, de kiezer een stem kunnen geven, dat zij in control zijn. De saga rond het afschaffen van de dividendbelasting legt pijnlijk bloot dat in bepaalde gevallen ’s lands bestuurders machteloos zijn en de keizer inderdaad geen kleren aan heeft.

Veel Nederlanders hebben een beeld van Nederland als rechtschapen, als tolerant, als mee- en samenwerkend, als smeerolie tussen andere landen in de Europese Unie, als voorvechter van recht en rechtvaardigheid en mensenrechten in de wereld. Politieke partijen en zeker bestuurders doen – terecht – hun best dat beeld te staven in zowel woord als daad.

Toch is het beeld van Nederland anders in de landen om ons heen. Nederland toont zich voor de draaiende camera’s graag als een Zuster Nightingale, maar in de beslotenheid van de Brusselse achterkamertjes gaat het masker af en blijkt men aan tafel te zitten met Tony Soprano.

Nederland belastingparadijs
Het theaterdoek met regenbogen en eenhoorns viel in 2009. Toen werd Nederland door de Amerikaanse president Barack Obama uit het niets bestempeld als belastingparadijs, op gelijke hoogte met fiscale zwarte gaten als de Kaaiman Eilanden. Minister van Financiën Wouter Bos, premier Jan-Peter Balkenende en het halve Haagse establishment moesten bijkans van het plafond gepulkt worden, zo hard was men daar uit verontwaardiging tegenaan gevlogen. Na luid protest haalde Obama Nederland weer van zijn zwarte lijst, maar de geest was uit de fles. Verbolgen nam de Tweede Kamer kamerbreed een motie aan die expliciet uitsprak dat Nederland géén belastingparadijs is.

Het incident zette de schijnwerper op de Nederlandse praktijken. Journalisten gingen op onderzoek uit. Ineens werden onderzoeksrapporten van organisaties als Tax Justice en SOMO, die al jaren de noodklok luidden over Nederland, serieus genomen. Korte tijd later wist iedereen die de krant goed las wat een ‘Double Irish Sandwich’-constructie was en hoe belangrijk de rol van Nederland daarin bleek te zijn.

Wat veel Europese landen al jaren wisten, was door Obama nu eens hardop gezegd: door het aaneenrijgen van allerlei Nederlandse bilaterale belastingverdragen was een fiscale lappendeken ontstaan die het bedrijven mogelijk maakte om, door verschillende van die lappen in andere landen aan de Nederlandse te verbinden, nauwelijks of geen belasting af te dragen in het thuisland. Zo werd Nederland interessant als vestigingsland voor bedrijven.

Niet veel later beloofde Nederland in G20-verband en in de Europese Unie medewerking aan het afbouwen van al die fiscale constructies die Nederland nou juist zo interessant maakten voor grote bedrijven.

BEPS
Nederland zou meedoen aan het zogenaamde ‘BEPS’-programma van de G20: het stoppen van ‘Base Erosion and Profit Shifting’. Een projectnaam die heel goed de lading dekt van waar de Nederlandse fiscus zich in bekwaamde: het uithollen van belastinggrondslagen en het verhullen van winsten waarover normaliter belasting moet worden betaald. Allemaal niet illegaal, maar moreel dubieus en zeker niet in overeenstemming met het rechtschapen beeld dat Nederlandse politici zo graag schetsten van ons land.

“Nederlandse bewindslieden en ambtenaren traineerden en rekten elk initiatief”

Den Haag beloofde publiek beterschap en tekende in het licht van cameralampen verklaringen, intentieovereenkomsten en verdragen. Maar tot frustratie van de vertegenwoordigers van andere landen zei de realiteit in de besloten vergaderkamers hen nog steeds iets anders.

Nederlandse bewindslieden en hun ambtenaren traineerden en rekten elk initiatief door procedures aan te grijpen, nieuwe procedures te bedenken, tegenvoorstellen te opperen, continue met nieuwe voorwaarden op de proppen te komen en anderszins barrières op te richten. Tijdens Rutte-2 bleek de rek eruit te zijn. Nederland moest nu echt serieus werk gaan maken van BEPS.

Dankzij de perikelen rond de afschaffing van de dividendbelasting blijkt hoe veel belang bepaalde grote bedrijven hechten aan de belastingvoordeeltjes die de Nederlandse belastingverdragenkermis biedt – en waarom opeenvolgende Nederlandse regeringen echte actie zo lang mogelijk uitstelden.

Het spel wordt hard gespeeld
Eén van de luidste trommelaars in de grootbedrijvenfanfare blijkt het Brits-Nederlandse Unilever. In 2010 al liet Unilever merken het spel hard te spelen als het moet. CEO Paul Polman liet in een Britse krant optekenen dat als de Britse regering een voorgenomen verhoging van de vennootschapsbelasting niet liet varen, Unilever de Britse activiteiten zou verhuizen naar Nederland. Diezelfde Polman liet deze donderdag voor de camera weten groot belang te hechten aan het schrappen van de Nederlandse dividendbelasting.

Voor veel beursgenoteerde grootbedrijven staat het vergroten van ‘shareholder value’ voorop: waardevermeerdering van de eigen aandelen voor de aandeelhouders. En regeringen mogen dan sinds de Kredietcrisis, de Eurocrisis en alle schandalen rondom belastingparadijzen hun beste beentje voor willen zetten zoals met de BEPS van de G20, bedrijven met een focus op shareholder value zitten daar niet op te wachten. Immers: hoe meer belasting zij moeten afdragen aan de fiscus, hoe minder zij kunnen afdragen aan aandeelhouders. Want lagere winst betekent in de regel minder dividend. De beperking van vluchtwegen als het stoppen van grondslaguitholling en het verhullen van winsten – de BEPS – maken dat nog lastiger.

“Als ergens de druk wordt opgevoerd, dan moet elders de druk eraf, want de druk moet minimaal gelijk blijven – en anders…”

Het is om die reden dat Unilever sinds enige jaren in de jaarverslagen de ontwikkelingen rond de BEPS expliciet opneemt in het lijstje van mogelijke risico’s voor het bedrijf. En zulke lijstjes liggen tijdens bestuursvergaderingen prominent op tafel. In het jaarverslag over 2017 schreef Unilever dat het via werkgeverslobby VNO-NCW in gesprek was met de Nederlandse overheid over ‘nieuwe wetgeving als gevolg van BEPS’. We weten nu wat die gesprekken opgeleverd hebben.
De uitruil die Unilever, maar ook Shell en AkzoNobel en ongetwijfeld andere grootbedrijven met een focus op shareholder value nastreven in Den Haag is de volgende: als ergens de druk wordt opgevoerd, dan moet elders de druk eraf, want de druk moet minimaal gelijk blijven – en anders…

Dus als de belastingverlagende fiscale geitenpaadjes die de Nederlandse overheid ooit creëerde worden afgesloten, neemt de belastingdruk op de bedrijven toe. Daarom willen de bedrijven in ruil een lagere vennootschapsbelasting – en (of) het schrappen van de dividendbelasting. Want die dividendbelasting raakt immers buitenlandse aandeelhouders. En hoezeer zulke aandeelhouders ook zeggen dat het hen niet zo bezighoudt, het interesseert grootbedrijven die kapitaal willen aantrekken duidelijk wel.

“We leven in een ontzettend gaaf land!”
Maar Nederland heeft toch meer te bieden dan fiscale peeskamers? Nederlandse politici roepen om het hardst hoe geweldig aantrekkelijk Nederland is als vestigingsland door het goede onderwijs, de prima infrastructuur, de voorzieningen en het gemak waarmee je hier zaken kunt doen. “We leven in een ontzettend gaaf land!”, pleegt Rutte te zeggen. En dat is allemaal waar: Nederland hééft al die zaken in orde. Maar wat ook waar is, is dat in alle – al dan niet geWOBte – stukken van ministeries en uit de regeringsformatie blijkt hoe bezorgd de overheid is over de impact van maatregelen die het Nederlandse fiscale verdragensysteem ontmantelen.

Harry Garretsen is hoogleraar internationale economie en bedrijfskunde aan de Universiteit Groningen. Op Twitter geconfronteerd met de feiten kan hij maar moeilijk geloven dat fiscale redenen zo overheersend zijn in de overwegingen voor grootbedrijven. “Een rare overschatting van het belang van fiscaliteit zou dat dan zijn”, zegt hij, en verwijst als onderbouwing naar zijn “boekenkasten vol rapporten en onderzoeken” waaruit blijkt dat bedrijven veel waarde hechten aan al die hierboven punten die Nederland zo aantrekkelijk maken als vestigingsland.

Wellicht dat dat voor veel bedrijven zo is. Maar voor bedrijven die shareholder value als prioriteit hebben geldt dat blijkbaar allemaal minder. En over het verplaatsen van fysieke hoofdkantoren mag dan schamper gedaan worden omdat dat weinig zou betekenen qua verlies van arbeidsplaatsen, het is wel zo dat het voor het afdragen van vennootschapsbelasting kan uitmaken waar die hoofdkantoren gevestigd zijn.

Anders word je een soort België
Daarnaast is er de kwestie van internationaal prestige. Deze kleine moerasdelta aan de Noordzee, deze speldenknop op de wereldbol moet het hebben van internationaal aanzien om mee te kunnen praten met de grote mensen aan de belangrijke internationale vergadertafels. Dan kun je maar beter een aantal toonaangevende multinationals binnen je landsgrenzen hebben, is de gedachte. Anders word je een soort België, wilde premier Rutte maar zeggen toen hij onlangs onze zuiderburen schoffeerde door te schamperen over de afwezigheid van grote multinationals daar.

Om al deze redenen maakten Mark Rutte en de VVD tijdens de formatie een knieval – en blijkt hoe machteloos bestuurders zijn wanneer zij geconfronteerd wordt met dreigementen vanuit bepaalde grootbedrijven. In ruil voor de beperking van de fiscale geitenpaadjes krijgen de bedrijven wat ze willen: een verlaagde vennootschapsbelasting en afschaffing van de dividendbelasting. Ergens druk erbij? Dan ergens anders de druk eraf.

Rutte blijkt niet te beschikken over machtsmiddelen om deze bedrijven te kunnen dwingen hun eisen te slikken. Want ja, een hoofdkantoor is inderdaad zó verhuisd en ja, de vrije wereld maakt het net als voor individuen ook voor bedrijven mogelijk om naar elders te verhuizen als zij dat willen. Deze realiteit is lastig te verteren voor politici omdat het aantoont dat ze in weerwil van alles wat ze communiceren niet in control zijn en overgeleverd aan de nukken van derden.

Het is hoe de wereld werkt. Voor een bepaalde categorie grootbedrijven, ook wanneer zij ‘Koninklijke’ in hun naam mogen voeren, blijkt Nederland toch niet zo’n gaaf land te zijn. Het is pijnlijk om te zien dat daadkrachtige bestuurders als premier Rutte daar weinig tegenover kunnen zetten. Van het beeld van daadkrachtig en machtig leiderschap blijft zo weinig over en daarom had de premier graag gezien dat het nu wel klaar was met alle ophef. De oppositiepartijen gaan vrolijk nog wel even door met die machteloosheid belichten  — tot ze zelf in de Trêveszaal zitten.