Weiger het Haagse spel te spelen

Haagse verslaggevers bewegen zich voort in een omgeving waarin alle spelers van elkaar afhankelijk zijn. Dat leidt tot een alternatief universum waar andere journalistieke normen gelden dan dik een kilometer verderop. Dat is niet erg – tot op zekere hoogte. Het gaat mis wanneer grenzen overschreden worden, zoals Kim van Keken en Eric Smit van Follow The Money aantonen. Een aantal redacties moet zich afvragen of het niet eens tijd is de eigen grenzen weer duidelijk te markeren.

Van Keken en Smit maken zich in hun stuk terecht boos over de onverschilligheid, luiheid en soms ronduit vijandigheid waarmee Haagse verslaggevers hen tegemoet traden na hun scoop over de dubieuze handel en wandel van Henry Keizer, toen voorzitter van de VVD. Van Keken en Smit wonnen de Anne Vondeling-prijs voor hun berichtgeving over de kwestie – de prijs voor de beste politieke journalistiek.

Maar in de dagen dat het schandaal nieuwsmedia domineerde, zo rond de week van Koningsdag 2017, wisten Haagse verslaggevers nauwelijks wat ze moesten denken van al het door Follow The Money opgeworpen tumult rond de VVD-voorzitter.

Het was alsof tijdens een voetbalwedstrijd de scheidsrechter een overtreding constateerde, maar niemand dat geloofde en iedereen op zoek ging naar een manier om de scheids te controleren.  Er waren geen video-opnames en dus geloofde men de scheidsrechter niet.

En dat is het probleem in Den Haag: niemand durft zelf conclusies te trekken. Enerzijds uit angst dat de informatiestroom vanuit een zich beschimpt voelende partij opdroogt, anderzijds omdat men er niet van beticht wil worden partij te trekken. En sommigen zien het als een beweging vanuit de Buitengebieden. Voor hen is de kaasstolp een realiteit; ze zijn te innig verweven geraakt met de mensen die ze kritisch dienen te volgen.

In mijn boek Megafoonpolitiek (hier voor weinig te bestellen op papier en als handig ebook) legde ik een aantal Haagse mechanismen bloot. Wie een tijdje heeft rondgelopen in Den Haag, of dat nu was als journalist of als voorlichter of Kamerlid, herkent er vast wel één.

Wederzijdse afhankelijkheid
Pers en politiek kennen een innige verstrengeling. Wat niet betekent dat ze met elkaar in bed liggen en elkaars meningen delen – al zal dit op individueel niveau best zo zijn tussen journalisten en politici – maar zonder elkaar kunnen ze niet. Althans, vooralsnog niet. Door de jaren heen zijn genoeg boeken geschreven over de verstrengeling om een forse boekenkast mee te vullen.

Vaak zijn de boeken vooral beschrijvend van aard en worden de kool en de geit gespaard, soms doen de schrijvers letterlijk een boekje open, met namen en toenamen. Enkele rode lijnen zijn hoe dan ook altijd terug te vinden, in elk boekje, en geven te denken over de kracht van de vierde macht om daadwerkelijk de functie van ‘de vierde macht’ te vervullen.

De poppenkast
Zo is er het verwijt dat parlementaire verslaggevers te veel bezig zijn met de poppetjes en het politieke spel tussen hen. Je zou kunnen stellen dat dit vaak – te vaak? – leidend is in de verslaggeving. Dit zou misschien niet zó erg zijn daar menig politicus zelf graag spelletjes speelt, ware het niet dat poppetjeskast-journalistiek zo zijn eigen problemen met zich meebrengt. Zoals een gebrek aan kennis dat dossierjournalisten wel hebben.

Parlementaire redacties eisen het recht op de verslaggeving te doen over kwesties die direct raken aan politici en bestuurders in Den Haag. Dat is tot daar aan toe maar het wordt lastig wanneer een bepaalde kwestie kennis vereist die parlementaire verslaggevers over het algemeen niet direct paraat hebben.  De journalist treedt op als neutrale scheidsrechter en al helemaal wanneer het inhoudelijk over iets gaat waar de journalist gewoon weinig verstand van heeft.

In 2017 eisten parlementaire redacties de verslaggeving over de kwestie Henry Keizer op. Deze voormalige voorzitter van de VVD moest aftreden toen er publiek getwijfeld werd aan zijn integriteit als gevolg van publicaties over een bedrijf waar Keizer meerderheidseigenaar in was en een aantal transacties die dat bedrijf onder zijn leiding had gedaan. De beschuldigingen rondom Keizer kwamen aan het licht door journalistiek onderzoeksplatform Follow The Money, dat gerund wordt door onderzoeksjournalisten met een financieel-economische of bedrijfskundige achtergrond. De dames en heren van Follow The Money waren niet over een nacht ijs gegaan en publiceerden artikelen waarin hun casus stevig onderbouwd werd.

Al met al duurde de media-aandacht voor de zaak-Keizer zo’n twee weken. Gedurende die dagen gaf menig parlementair verslaggever aan dat er iets kennelijk niet helemaal in de haak was rondom de voorzitter van de VVD, maar tegelijkertijd leek men de materie niet helemaal goed te begrijpen. Het was dan ook complexe materie, met het geschuif van besloten vennootschappen, waardebepalingen en accountants- verklaringen. Het maakte dat Keizer in zijn communicatiestrategie de confrontatie zocht met Follow The Money, waarbij de mensen achter de site niet als onafhankelijke journalisten maar als een bevooroordeelde partij jegens Keizer werden neergezet en de hele affaire zo dreigde te vervallen in he said, she said-journalistiek met daar tussenin vooral parlementair verslaggevers die zich geen goed raad wisten met de situatie. Toen ook niet-parlementaire verslaggevers met bedrijfskunde en economie in hun vakkenpakket vragen begonnen te stellen, werd de situatie voor Keizer en de VVD onhoudbaar. Keizer trad af.

Ouwe jongens krentenbrood
De Haagse biotoop is klein. Er zijn 150 Kamerleden, er zijn de bewindslieden, er zijn de medewerkers van de fractie, de woordvoerders en politiek assistenten en de journalisten. Dat is zo ongeveer de club mensen die het dagelijks met elkaar te stellen heeft en na verloop van tijd kent iedereen elkaar. Als je ergens lang zit, of dat nou in de journalistiek is of in pak hem beet de accountancy, dan is de kans groot dat je vergroeit met je onderwerp of de mensen die daar omheen een rol spelen. En neemt de kans toe dat de normen en waarden die behoren bij je vak gaan vervagen met die van anderen. Dat je zaken

gaat zien door de bril van mensen waar je mee omgaat. Dat je misschien iets te veel begrip begint te tonen voor hoe die fractievoorzitter of die ene politiek assistent met wie je op donderdagavond meestal doorzakt de dingen ziet. Dat er wederzijds geïnvesteerd wordt in goede relaties is daarbij volkomen logisch. Politici moeten weten wat journalisten beweegt en vice versa. Daarbij zijn mensen altijd potentiële bronnen en niet alleen voor de journalisten. Want de realiteit is dat politieke partijen zelden goed weten wat er in de andere partij speelt. Iedereen zit in de eigen schuttersputjes en beloert elkaar als zouden ze op een slagveld in de Eerste Wereldoorlog zitten, klaar voor de volgende veldslag (verkiezingen) of een executie (aftredend bewindspersoon). Het gaat mis wanneer het beoordelingsvermogen troebel wordt en Haagse wetjes leidend worden.

Zo werd het voormalige VVD-Kamerlid Ybeltje Berckmoes door nogal wat ervaren parlementaire verslaggevers weggezet als een mislukt Kamerlid toen zij letterlijk een boekje open deed over hoe het reilt en zeilt in de VVD-fractie. Of, beter gezegd, hoe ‘het beeld’ naar buiten belangrijker is dan al het andere.

Berckmoes werd door nogal wat Haags meubilair weggezet als iemand die niet voor niets jaren lang een onbeduidende backbencher was geweest.

Eén bekende verslaggever en zogenaamde ‘duider’ maakte het wel heel bont door in een TV-nieuwsuitzending de talking points van het voorlichtings-apparaat van de VVD bijna verbatim na te praten – ‘ach ja, die Berckmoes, wie is dat nu eigenlijk, een amateuristische backbencher’, et cetera. Later die dag vroeg de bekende verslaggever aan collega’s op de redactie of iemand ‘dat boekje van die Brekmoes, of hoe heet ze’ toevallig bij zich had. Dan kon hij het ook even lezen.

Ybeltje Berckmoes publiceerde un haar boek een aantal interne stukken waarvan de VVD-top zeer zeker niet wilde dat die in de openbaarheid kwamen. Het komt zelden voor dat Nederland zo’n inkijkje krijgt in hoe de fractie van een coalitiepartij werkt – en dan nog de grootste coalitiepartij ook. Enkele verslaggevers waren in het geheel niet verrast door Berckmoes’ onthullingen omdat zij weten hoe een politieke partij werkt.

Dit soort normvervaging maakt ook dat sommige journalisten snuffelen aan een nieuw bewindspersoon en meteen oordelen: dit wordt niks. Waarna een self-fulfilling prophecy plaatsvindt; de persoon kan niets meer goed doen en na alle aanhoudende negatieve berichtgeving is het nog slechts een kwestie van tijd tot de persoon aftreedt.

Incidentenjournalistiek
Ook wel: kuddegedrag. Het komt regelmatig voor in Den Haag. Een minister maakt een politieke fout, een Kamerlid van een coalitiefractie maakt een schuiver of een staatssecretaris roept in een interview iets dat haaks staat op het regeringsbeleid. Dan valt dit tafereel waar te nemen: een club journalisten staat met een wirwar van microfoons, camera’s en mobiele telefoons als opname-apparaatjes rondom een persoon om vervolgens het Binnenhof over te rennen naar een andere persoon, en weer terug, en weer terug, et cetera. Er is een nieuwtje, iedereen moet het hebben en dus holt de kudde zichzelf achterna, op zoek naar kwootjes: iedereen moet een citaat hebben. Zo kunnen kleine kwesties tot enorme proporties worden opgeblazen, niet zelden tot verbazing van kabinet en Kamerfracties. Zeker wanneer de kleine kwestie zo veel prominentie krijgt dat het een ‘een-nul-eentje’ wordt, zoals dat genoemd wordt als het nieuwtje verschijnt op nieuwspagina 101 van NOS Teletekst, is het opeens een Groot Politiek Probleem.

Ondertussen kan er op de achtergrond van alles gebeuren dat van veel groter en belangrijker gewicht is voor de toekomst van Nederland. De wetenschap dat de snuivende kudde in de perstoren van het Binnenhof zo te bespelen is maakt het voor handige woordvoerders en communicatieadviseurs makkelijker om een kleine kwestie groot te maken opdat de kudde daar op af rent en in alle rust kan uitgevoerd kan worden wat bekokstoofd werd of een écht heikel probleem onbelicht blijft.

Scorebordjournalistiek
Ja, politici doen er zelf heel graag aan mee: laten zien wie de grootste partij heeft dan wel wie bovenaan staat in de peilingen. Naast de publieke peilingen doen partijen zelf ook eigen publieksonderzoek, met een uit het buitenland overgewaaide term private polling genoemd. Halfjaarlijks laat de regering zelf onderzoek doen naar de populariteit van bewindspersonen, wat voor mensen met een tekort aan zelfvertrouwen of juist een meerderwaardigheidscomplex altijd een moment is om naar uit te kijken.

Deze neiging om alles te vangen in ‘wie wint en wie verliest’ kan onder parlementaire verslaggevers nog wel eens de overhand krijgen, zeker in campagnetijd. Kleinere partijen hebben in ieder geval geen streepje voor als ze niet aan de winnende hand zijn in de peilingen; zij moeten dan voor hun broodnodige media-aandacht achteraan aansluiten in de rij of wapperen met gelamineerde valse grafiekjes, zoals Henk Krol met enig succes pleegt te doen. Wat bedoeld wordt met ‘gelamineerde grafiekjes’? Het is heel leuk. Lees Megafoonpolitiek.

Doorgeefluikjournalistiek
Soms heb je een formatieperiode nodig – een periode waarin de nieuwsstroom vanuit Den Haag ineens opdroogt – om te zien hoe afhankelijk parlementaire verslaggevers zijn van bronnen of fouten, of – en daar wordt het gevaarlijk – van politici of hun hulpjes die enthousiast zaken lekken die voor de concurrentie niet goed zijn. Kortom, met enige regelmaat verschijnen er stukken in media die rechtstreeks afkomstig lijken van één partij of bewindspersoon, hoewel onduidelijk blijft waar de informatie precies vandaan komt.

Zeer grote kans dat het gelekt is door iemand met een agenda. Waarom leent een medium zich daarvoor? Het is niet ongebruikelijk dat niet veel later in hetzelfde medium een groot interview opduikt met een doorgaans moeilijk bereikbaar bewindspersoon.

Quid pro quo – jij doet iets voor mij, dan doe ik iets voor jou? Waarom niet. Maar ook hier speelt de gunfactor; de ene journalist of krant gun je iets nu eenmaal meer dan de andere. Soms wil een bewindspersoon gewoon een ander bewindspersoon piepelen en wordt een verslaggever een worst voor de neus gehouden die hij of zij niet kan weigeren. En soms wil een partij zich gewoon ouderwets profileren.

Als oppositiepartij is het knokken. Iedereen wil zijn of haar beste idee sinds gesneden brood in het nieuws maar ja, als oppositiepartij zit je nu eenmaal niet in de macht. Dus coalitiefracties hebben een streepje voor onder parlementaire verslaggevers. Deze fracties zijn wel gebonden aan de zogenaamde no surprises-regel met de collega-coalitiepartners, wat betekent dat men elkaar van te voren op de hoogte brengt van wat er zoal gezegd gaat worden in een interview.

Tegelijkertijd is zoiets een goede graadmeter voor handige journalisten. Als een minister van partij A een interview geeft in een krant waar coalitiepartij B het niet mee eens is en men erkent dat men ‘verrast’ was door het interview, dan kan dat een teken zijn van slechte relaties tussen de coalitiepartijen. Als zoiets een keertje gebeurt, soit – daar wordt niet moeilijk over gedaan. Maar wanneer bewindspersonen met enige regelmaat interviews geven waar coalitiepartners niks vanaf weten, zoals gebeurde in de tijd van Balkenende-I met de LPF of tijdens de laatste maanden van Balkenende-IV, toen de ruzie tussen CDA en PvdA hoogopgelopen was, dan weet je: dit zit niet goed. En dat bleek dan ook.

Niet doodchecken
Ligt in het verlengde van doorgeefluikjournalistiek. Soms komen verhalen van een partij of politicus het publicerend medium ook wel mooi uit. Wanneer ze in het straatje van dat medium liggen bijvoorbeeld. Dan moet je verhalen niet dood gaan checken, zoals dat heet; ze onderuit halen door de feiten boven tafel halen die aantonen dat het een fabeltje is.

Een voorbeeld. Net als grote delen van de rechtse Britse pers is De Telegraaf niet gecharmeerd van de Europese Unie. De huidige Britse minister Boris Johnson zoog in zijn tijd als correspondent voor The Daily Telegraph en The Spectator van alles uit zijn duim om de EU in een kwaad daglicht te zetten. Net zoals die Britse kranten neemt De Telegraaf graag voor zoete koek verhalen aan die de EU-instituties beschadigen.

Zo maakte voormalig VVD-Kamerlid Mark Verheijen in de Telegraaf herrie over een nieuwe Europese richtlijn voor stofzuigers. Die zouden om onder meer milieutechnische redenen minder krachtig moeten worden in heel Europa. Verheijen vond dat de EU zich helemaal niet moest bemoeien met dit soort aangelegenheden en beweerde dat stofzuigerproducenten hier erg boos over waren.

Het TV-programma De Slag Om Europa van Teun van de Keuken zocht het verhaal uit. Wat bleek: één belletje van De Telegraaf had de redactie duidelijk kunnen maken dat de richtlijn juist geïntroduceerd werd op verzoek van de stofzuigerproducenten zelf. En dat zij er dus blij mee zijn dat hij er komt. De reden: iedere lidstaat met zijn verschillende standaarden betekent hogere productiekosten voor producenten, die immers met de regels van elk apart land rekening moeten houden. In plaats daarvan ging Verheijen’s onzin er bij De Telegraaf in als gods woord in een ouderling en helaas, de honderd-duizenden Telegraaf-abonnees werden weer eens opgezadeld met een fabeltje.

Maar wel één die de anti-EU-agenda van Verheijen en De Telegraaf goed uit kwam.

He said, she said-journalistiek
Een bestuurder of politicus roept of beweert iets, een andere bestuurder roept het tegenovergestelde, de journalist geeft alleen maar beide beweringen weer en de arme burger moet maar uitzoeken wie er gelijk heeft. We noemen het fenomeen ‘he said, she said’-journalistiek.

Al voor het Trump-tijdperk was er in Amerikaanse journalistieke kringen een roep om het einde aan ‘we schrijven op wat iemand zegt, of het klopt laten we voor rekening van die persoon’. Dat werkt op zich prima als de persoon die uitspraken doet integer is en hecht aan de waarheid. Dat wordt lastiger als de persoon minder integer is en het enige doel is media-aandacht krijgen voor het eigen verhaal.

Nieuwsmedia in de VS hebben nu hun schroom afgeworpen en corrigeren een president Trump zelfs wanneer hij live op TV een leugen vertelt. Fact checkers laten dan onderin beeld een tekstje meelopen waarin uitgelegd wordt dat de president staat te liegen of iets verzonnen heeft. In Amerika kijkt inmiddels niemand er meer van op, hier is het vooralsnog ondenkbaar dat de NOS op de vrijdagse live persconferentie van premier Rutte zo’n tekstbanner mee laat lopen.

Zoals het voorbeeld over voormalig VVD-voorzitter Henry Keizer al aangaf, het kan leiden tot een patstelling waar niemand meer uit komt tenzij iemand een knoop doorhakt – in dit geval de VVD zelf.

Oplossingen
Misschien zijn enkele – of vele – van de geschetste problemen herkenbaar. De vraag is wat de mogelijke oplossingen zijn voor de geschetste euvels.

Eén methode is de Haagse redactie kritisch tegemoet te treden als hoofd- of eindredactie. Dat gebeurt – als het goed is – sowieso, natuurlijk, maar als een verslaggever vaak met een scoop komt die één partij goed uitkomt en er weinig kritische hoor- en wederhoor is gepleegd bij andere partijen, dan moet je jezelf af gaan vragen of de verslaggever in kwestie misschien iets te close geworden is met mensen in een partij.

Helaas zijn hoofd- en eindredacties soms juist de veroorzakers van bepaald gedrag, bijvoorbeeld omdat meer gehecht wordt aan het ‘hebben’ van bepaald nieuws in de eigen krant – zolang de concurrent het maar niet heeft, of het nieuws althans later heeft. Dat levert op de verslaggevers een enorme druk op om met iets te komen.

Een andere oplossing is het rouleren van verslaggevers. Een krant als NRC Handelsblad doet dit al en ook de NOS herschikt regelmatig de redacties.

Hiermee is absoluut niet gezegd dat journalisten die langer dan – bijvoorbeeld – vijf jaar in Den Haag werken. dus vermolmd zijn. Genoeg Haagse verslaggevers die zich voor geen enkel karretje laten spannen – gelukkig. Maar helaas zijn er genoeg over wie het tegenovergestelde beweerd kan worden. De centjes moeten immers wel verdiend worden aan het einde van de maand, nietwaar?