in Voorpagina

‘DE MAAKBARE SAMENLEVING’ – TERUG VAN WEGGEWEEST?

VOOR HET eerst in jaren zitten er politieke partijen aan de onderhandelingstafel die niet direct geliëerd zijn aan een liberaal-pragmatische stroming. In plaats daarvan praten nu een sociaal-democratische, een sociaal-christelijke en een pragmatisch-christelijke partij met elkaar over de vorming van een kabinet. En hoewel natuurlijk vrijwel niemand behalve de onderhandelende ‘incrowd’ weet welke richting de onderhandelingen uit gaan, is het wel voor het eerst in tijden dat er een regering kan ontstaan die bestaat uit partijen die de Nederlandse samenleving naar eigen idee willen inrichten.

ER WERD jarenlang meer dan eens schmierend gesproken over het ‘achterhaalde’ idee van de zogenaamde ‘maakbare samenleving’, een term die vooral opgeld deed tijdens de hoogtijdagen van de PvdA in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Sociaal-democraten — toen nog ‘socialisten’ — geloofden heilig dat zij de Nederlandse samenleving konden inrichten naar een sociaal model. Meer liberaal-ingestelden, die toen electoraal even het nakijken hadden, gruwden bij dit idee omdat vooral de vrijheid van het pragmatische individu achtergesteld zou worden. Dit ‘maakbare samenleving’-denken werd bijna vakkundig begraven in de electorale cycli die na het kabinet-Den Uyl kwamen; zelfs met het CDA constant in de regering in de jaren ’80 liet ook de PvdA het idee los en leek men vooral te kiezen voor wat de meerderheid van het Nederlandse electoraat wilde, en werden rapporten en aanbevelingen van economen bijna kritiekloos omgezet in beleid om de Nederlandse economie te versterken.

HET HOOGTEPUNT, of dieptepunt zo u wilt, van de anti-maakbare samenlevingsgedachte volgde in de jaren ’90, toen de Nederlandse economie de grootste groei sinds de Gouden Eeuw doormaakte en de pragmatische individuele vrijheidsgedachte electoraal zo mogelijk nóg populairder bleek. Maar met al die individuele vrijheidsdrang hoog in het vaandel werd gaandeweg misschien toch even vergeten dat Nederland een gebied is, afgebakend door grenzen, waarin individuen dichtbij elkaar samenwonen – dus tóch een samenleving. Pim Fortuyn legde met zijn kritiek op bepaalde aspecten van die steeds meer versnipperende samenleving de vinger op de zere plek: er waren wrijvingen, die samenleving bestond steeds meer uit verschillende kleinere sub-samenlevingen, en bepaalde groepen irriteerden elkaar.

DIT LEIDDE vervolgens weer tot een ‘Nieuw Conservatisme’. Leek de versnippering van ‘de’ samenleving eerst te gebeuren in een pannetje lauw water, Fortuyn’s kritieken leidden ertoe dat het pannetje een knalhete snelkookpan werd waardoor de verschillen tussen culturele groepen enerzijds en klassenverschillen anderzijds — beiden zijn met elkaar verweven — in rap tempo en steeds duidelijker aan de oppervlakte kwamen drijven. En toen het deksel van de snelkookpan met de moord op Fortuyn tegen het plafond knalde, was het electoraat totaal losgeslagen en volgde een organisch proces van herijking. Gelijk aardplaten begon het electoraal te schuiven; mensen leken weer op zoek te gaan naar ideeën en af te stappen van het individualistische, pragmatische recht-zo-die-gaat-program dat de grote partijen in de jaren ’80 en ’90 aanhingen. De aardplaten zijn nog steeds in beweging en zeker nu ‘nieuwe’ electorale groepen zich kunnen identificeren met extremistischer stromingen in de politiek: helemaal links de SP, helemaal rechts Wilders, helemaal christelijk de ChristenUnie, en ga zo maar door. In ieder geval verloren de grote, recht-zo-die-gaat-partijen bij de vorige verkiezingen.

DAT BETEKENT wel dat mensen die op de ChristenUnie (verkiezingswinnaar), de PvdA (verliezer) en het CDA (de facto ook een verliezer want drie zetels minder) stemden nu toch aan één kant van het politieke spectrum staan, en wel het links(ige). Of die kiezers dat zelf nu wisten of niet, ze hebben gestemd op drie inhoudelijk dogmatische partijen die ervan overtuigd zijn dat de samenleving op zijn minst door hun idealen beïnvloed dient te worden, en misschien wel naar hun idealen ingericht — waarbij het pragmatisch individualisme niet meteen op de voorgrond staat.

DAT LEVERT enkele opmerkelijke zaken op. Ten eerste krijgt Nederland nu waarschijnlijk een regering aan het roer die bestaat uit partijen met een ware ‘zendingsdrang’, al valt nog wel even te bezien of het CDA daadwerkelijk de sociaal-christelijke ‘onderbuik’ voor het eerst in jaren weer laat prevaleren, of dat men vast blijft houden aan de pragmatische middenkoers die die partij electoraal altijd windeieren heeft gelegd.

TEN TWEEDE wordt er voor het eerst in jaren mogelijk afgestapt van de consensus-politiek die Nederland jarenlang beheerste, uiteindelijk zelfs culminerend in een samenwerking tussen linkse en rechtse partijen in één regering (Paars I en II).

TEN DERDE hebben die drie zendingspartijen nu de mogelijkheid om weer eens de oude idealen af te stoffen en die proberen in te voeren – al geldt dit niet voor de ChristenUnie, die immers altijd prat ging op haar sociaal-christelijke idealen.

DIT ALLES hangt natuurlijk wel grotendeels af van de vraag of de samenleving uberhaupt ‘maakbaar’ is. Het antwoord kan alleen maar zijn: jazeker. De liberaal-pragmatische politiek van de afgelopen 30 jaar heeft de samenleving immers ook gemaakt tot wat hij nu is en dat gebeurde tenslotte ook steeds bij de gratie van de kiezer. En of u het er nu mee eens bent of niet, de kabinetten-Balkenende hebben de afgelopen jaren ook laten zien dat de samenleving ‘maakbaar’ is met alle, nietsontziende hervormingen die doorgevoerd werden. De partijen in die kabinetten hadden immers een meerderheid in zowel de Tweede als de Eerste Kamer, en die hervormingen hebben de samenleving ook gemaakt tot wat hij nu is.

HET GROTE gevaar is alleen wel dat heuse zendingspolitiek — maar dit keer vanuit een ‘linksige’ invalshoek — net zo hard tot een diepgaande polarisatie zal leiden als het kabinet-Den Uyl toen, en het laatste kabinet-Balkenende onlangs nog. Alle grote partijen verloren de laatste verkiezingen en de Grote Vraag is daarom of vooral het CDA en de PvdA het nog zullen aandurven om de oude idealen naar de voorgrond te verhuizen.

HET ANTWOORD daarop kan alleen maar zijn: waarom niet? Met al die schuivende aardplaten verliezen juist die partijen bij de volgende verkiezingen immers toch wel weer, als men tenminste weer een recht-zo-die-gaat-koers blijft varen. Door publiekelijk te kiezen voor de eigen idealen en de realisatie daarvan hebben vooral het CDA en de PvdA de kans om zich electoraal weer duidelijk en helder neer te zetten. Dat nu is een overweging die op de achtergrond bij de onderhandelingen zeker een rol speelt.