Maken coalities ontevreden?

Waarom worden ‘tegenpartijen’ als de LPF, de SP en de PVV zo groot? Waar komt die ontevredenheid vandaan? Leidende vragen. Zou het kunnen dat het Nederlandse systeem van coalitieregeringen het antwoord is?

Wie zijn oor wel eens te luisteren heeft gelegd bij LPF-, SP- en PVV-stemmers, heeft vast wel eens de volgende citaten gehoord: “er verandert toch niks”, “het maakt niet uit op wie je stemt”, “het is één pot nat”, “graaiers”, etcetera. Vaak kunnen de toehoorders niet veel met zulke opmerkingen. De elite snapt het niet, rechtse mensen roepen al snel dat “dat volk” gewoon notoir ontevreden is, de linkse kerk wil ze doodknuffelen, maar niemand begrijpt echt wat die mensen eigenlijk bedoelen als ze al die bekende oneliners uitbraken.

Misschien ligt het antwoord wel bij ons coalitiesysteem. Wat betreft ’t “het maakt niet uit op wie je stemt want er verandert toch niks”: wat nu als die mensen gewoon gelijk hebben?

Ga maar na. Een voorbeeld. Balkenende-II (CDA/VVD/D66) hervormde het stelsel van gezondheidszorgverzekeringen. Oppositiepartij PvdA van Wouter Bos riep dat hij die hervorming zou gaan terugdraaien als de PvdA aan de macht zou komen. Dat laatste gebeurde, maar het eerste niet; de PvdA ging regeren met het CDA, de initiators van die hervorming, en dus werd hij niet teruggedraaid.

Of ga wat verder terug in de tijd. De twee Paarse kabinetten verruimden de winkelsluitingstijdenwet, waardoor veel winkels onder bepaalde voorwaarden ook op zondagen open mochten. Ook werd de euthanasie- en abortuswetgeving liberaler onder Paars. Het CDA zwoer dat het daar allemaal iets aan zou doen, als het aan de macht kwam. Maar toen het CDA weer tot de regering toetrad in 2002, deed het dat onder andere met de ‘Paarse’ partij de VVD, die in de formatie voorkwam dat al die verruimingen door het CDA werden teruggedraaid.

Kijk verder terug in de tijd en je kan niet anders constateren dan dat er sinds de Tweede Wereldoorlog altijd partijen toetraden tot nieuw te vormen kabinetten die ook al in de voorgaande kabinetten hadden gezeten. En uiteraard eisten die partijen tijdens de formatie steevast dat hun beleid uit het vorige kabinet niet werd teruggedraaid.

Ik ben geen politicoloog en heb het niet uitgezocht, maar ik durf te wedden dat als je terugkijkt naar wat er de afgelopen jaren eigenlijk terecht gekomen is van beloftes van oppositiepartijen om beleid van kabinetten terug te draaien, daar maar bar weinig van terecht gekomen is.

Als de populaire oppositiepartijen steevast teleurstellen en hun beloften van terugdraaien of stevig aanpassen van impopulair beleid niet nakomen, en dat zijn in de loop der tijd zowel linkse als rechtse oppositiepartijen geweest, dan moet je niet raar staan te kijken als een deel van de kiezers inderdaad cynisch en boos wordt. Het zou ook kunnen verklaren waarom een grote groep kiezers van de PvdA via de LPF (rechts) en de SP (heel links) bij de PVV (sociaal-cultureel in ieder geval erg rechts) en de VVD (vooral sociaal-economisch rechts) uitkomen.

Het Nederlandse gepolder van de coalitieregeringen wordt vaak geprezen om zijn stabiliteit van beleid. Dat is inderdaad een pluspunt. Maar de lovende dames en heren politici moeten niet gek staan te kijken als de keerzijde van die medaille hen soms keihard in het gezicht slaat.